Longread  25 minuten leestijd

De opkomst van de lokale journalistiek in Nederland

(eind 19de, begin 20ste eeuw)

Chris van der Heijden

Aquarel van M. Parys (?), gepubl. in le Monde Illustré van 23-12-1899

Bij deze longread horen ruim 25 bijlagen, uitweidingen van aspecten die in de tekst slechts aangestipt aangeduid worden. Naar die bijlagen wordt via een link verwezen. Ze staan hier bijeen. 

Ook hoort bij deze longread een database van zo’n 70 illustratieve documenten. Ook daarnaar wordt in de lopende tekst verwezen. Die documenten staan hier bij elkaar.

Overige literatuur wordt veelal vermeld via een link naar Worldcat.

Lees meer
Baruch Lopez de Leao Laguna (1864-1943). Krantenlezer Jan Bus alias Jan Snor.

Inhoudsoverzicht

De hierna volgende basistekst van dit onderzoek naar de (eerste fase van de) geschiedenis van de lokale journalistiek in Nederland begint met twee inleidende hoofdstukken over het veranderend medialandschap (hfst. 1 en 2). Daarna volgen twee meer theoretische hoofdstukken. Het ene gaat over de vraag waarom mensen überhaupt kranten lezen (hfst. 3), het andere over communicatiemodellen (hfst. 4). Pas daarna volgt het eigenlijke deel van het onderzoek. Het begint met een panorama van de lokale krant (hfst. 5).

De meeste van de in dit panorama genoemde kenmerken worden overigens uitgewerkt in losstaande, korte essays waarnaar in onderstaande tekst verwezen wordt en die in veel gevallen nog verdere verwijzingen bevatten.

In de lopende tekst zelf komen, na dat panorama, achtereenvolgens de volgende noties aan bod: 

– dat kranten pas vanaf het eind van de 19de, begin 20ste eeuw de neiging hadden de klemtoon op lokaal nieuws te leggen (hfst. 6)

– dat de lokale krant veelal letterlijk en figuurlijk in het centrum van een dorp of stad stond (hfst. 7)

– dat de makers van de lokale krant over het algemeen plaatselijk bekende figuren waren (hfst. 8)

– dat die plaatselijke bekendheid politiek gekleurd kon zijn. In dat geval was er niet zozeer sprake van controle als van potentiële uitoefening van de macht, een verschijnsel dat ook goed bekend is van de tegelijkertijd zich ontwikkelde verzuilde journalistiek (hfst. 9)

– dat er ook op lokaal niveau zoiets als een publieke opinie bestond en dat de krant daarvan vanaf het eind van de 19de, begin 20ste eeuw de belangrijkste vormgever werd (hfst. 10)

– dat niet alleen spraakmakers en journalisten maar ook lezers aan zo’n lokale publieke opinie bijdroegen. Zij deden dat met name via de zogenoemde lezersbrief (hfst. 11)

– en tot slot dat wat gewoonlijk ‘nieuws’ wordt genoemd, slechts een deel en lang niet altijd of lang niet voor iedereen het belangrijkste deel van ‘de krant’ uitmaakt: andere soorten informatie, van reclame tot vermaak, waren vaak net zo belangrijk (hfst.12 

Lees meer
Jac van Looy
Drie tekeningen van Jac van Looy (1855-1930). Zoals velen van zijn tijdgenoten tekende & schilderde Van Looy tal van krantenlezende mensen. Dat is veelzeggend: de krant werd een massaproduct, steeds meer mensen konden lezen, dat viel ook kunstenaars op.
Lees meer
Lees meer

Alle of zo goed als alle afbeeldingen bij deze longread zijn afkomstig uit het publieke domein, de meeste (schilderijen) van Wikimedia commons

De journalistiek was niet alleen spiegel maar ook beeld(vormer). Dat maakte (en maakt haar nog altijd) bijzonder.

Oplages

De oplages van de drie types kranten, dag-, nieuws- en advertentiebladen, ontliepen elkaar eind 19de eeuw minder dan je zou verwachten. Neem de jaren ‘80 van die eeuw, een moment waarvan we, niet toevallig, dankzij een Amerikaanse reclameman bekend zijn met de oplages van honderden Nederlandse kranten: van de meeste van die kranten werd slechts een paar duizend exemplaren gedrukt. Hierop waren uitzonderingen: het Algemeen Handelsblad, Het Nieuws van den Dag, De Provinciale Groninger Courant en nog enkele. Maar in zo goed als alle andere gevallen was de norm twee- tot drieduizend. 

Overigens is het buitengewoon moeilijk over de 19de eeuwse krant cijfers te achterhalen. Er is wel wat maar  houdt niet over en het verzamelen van die cijfers is vooral sprokkelwerk. 

Een bewijs van het feit dat de gemiddelde Nederlandse krant tot diep in de 19de eeuw geen hogere oplage behaalde dan enkele duizenden is het feit dat het eerste nummer van de Haagsche courant, d.d. 9 april 1883, verscheen in een oplage van 3277 exemplaren. En dan gaat het niet om een zoveelste krantje van een willekeurige drukker maar om een prestigieus project van een gerenommeerde uitgeversfamilie (Sijthoff), bovendien bedoeld voor een grote stad. 

Het laat zich eenvoudig verklaren dat kranten eind 19de eeuw in zo’n beperkte oplage verschenen: de spoeling was dun. Behalve in een paar grote steden woonden nergens in Nederland meer dan enkele tienduizenden mensen. Niet iedereen in zo’n stadje kon of wilde een krant lezen, niet iedereen kon een krant betalen, adverteerders waren niet altijd te vinden, kortom in Gouda (1882: 18.480 inwoners), Zwolle (13.679), ‘s Hertogenbosch (24.894) en Maastricht (28.927) kon een krant onmogelijk een oplage bereiken die boven de paar duizend lag. De enige manier om een hogere oplage te bereiken, was de uitgave van een landelijke krant in en vanuit een grote stad, Amsterdam voorop. Maar dat vereiste veel: inzet, investering, know how, transport. 

Er is nog een reden dat kranten tot ruim in de 20ste eeuw zelden een oplage hadden die hoger lag dan enkele duizenden: de oriëntatie van de meerderheid van de bevolking was lokaal of regionaal. Slechts een minderheid was geïnteresseerd in nationaal of internationaal nieuws. Verreweg de meeste mensen leefden min of meer besloten in eigen omgeving, in dorp, stad of streek. Zelfs Amsterdam en Den Haag werden ‘in de provincie’ gezien als Verweggistan. Niet verwonderlijk dus dat zij bijna uitsluitend belangstelling hadden voor nieuws uit de eigen regio, lokaal nieuws dus. En dat bestreek per definitie een klein gebied.

Lees meer
David Oijens (1884)
Nederland was tot ruim in de 20ste eeuw een land in stukken.
Een van de drie glas in lood ramen van het gebouw van het Leidsch Dagblad aan de Witte Singel. De andere twee hebben als thema Advertentie en Critiek. Zie hieronder.
Bruno Liljefors (1884)

Hegel: Das Zeitunglesen des Morgens früh ist eine Art von realistischem Morgensegen. Man orientirt seine Haltung gegen die Welt an Gott oder an dem, was die Welt ist. Jenes gibt dieselbe Sicherheit wie hier, dass man wisse, wie man daran sei.

Gratis levensverzekering

Een van de vele manieren waarmee uitgevers lezers aan zich probeerden te binden en tevens hun sociaal-maatschappelijke functie vervulden was het aanbieden van een gratis levensverzekering. Zo’n verzekering hoorde bij het krantenabonnement en soms ook bij eenieder die op het moment van een ongeluk een exemplaar van de betreffende krant in de zak had. Het leidde tot nogal wat misbruik en het aanbod was meestal dan ook geen lang leven beschoren. Maar toch, vele kranten, grote en kleinere, gingen er op een of andere moment of op de een of andere manier toe over.

Eind 19de, begin 20ste eeuw was het Nederlands krantenlandschap eerst en vooral lokaal en/of regionaal. Net als elders overigens, in Engeland bijv. of Frankrijk en Duitsland - om van de VS niet te spreken. 

Voormalig gebouw van het Leidsch Dagblad anno nu
De schrijvende journalist. Sculptuur aan het gebouw van het Leidsch Dagblad. Zo ook de haan (die het nieuws kraait).
Glas in lood ramen van het gebouw van de Gooi- en Eemlander, Groest Hilversum
Adolf von Menzel (1891)
Uit de tentoonstelling Liefde van toen (KB)

In afgelopen jaren is veel aandacht besteed aan lokale journalistiek. Dat heeft verschillende verklaringen maar de belangrijkste is bezorgdheid over haar dreigende teloorgang plus het besef dat deze de samenleving, voorzichtig uitgedrukt, niet ten goede komt. 

Hoewel bij politici, journalisten, onderzoekers en een groot deel van het publiek weinig twijfel bestaat over het maatschappelijk belang van journalistiek, blijft het ingewikkeld dat belang te preciseren. Dit geldt zeker de lokale journalistiek. Er is slechts twee aspecten waarover men het over ’t algemeen wel eens is: het eerste betreft de zogenoemde waakhondfunctie van de journalistiek ofwel haar opdracht controle uit te oefenen op ‘de macht’. Verdwijnt die controle, zo is de gedachte, dan komt de democratie in gevaar. Het tweede aspect is hieraan verwant en betreft het fenomeen pluriformiteit. Waar die in het geding komt of zelfs verdwijnt (en er lokaal dus slechts één of wellicht zelfs geen enkel journalistiek medium overblijft), verdwijnt ook de voor een democratie noodzakelijke veelheid aan keuzemogelijkheden. Ook dat zou fnuikend zijn.

Het lijdt geen twijfel dat dit klopt. Toch is dat niet waar het hier om gaat. Eigenlijk juist niet. Het gaat om de vraag of een dergelijke, zeg, nieuwsparadigmatische visie de journalistiek en dan met name de lokale variant daarvan voldoende recht doet. Is zij niet te eenzijdig dan wel te sterk gebaseerd op een beeld dat geldt voor een deel, eventueel zelfs klein van het journalistieke veld? Gaat het bij lokale media – want daarover gaat het hier – niet ook en wellicht zelfs niet vooral om andere kenmerken dan die uitgedrukt worden met nieuwsparadigmatische begrippen als controlefunctie, pluriformiteit en, om een derde aspect te noemen, objectiviteit? Zo ja, welke zijn dat? 

Bij een antwoord op deze vragen wreekt zich om te beginnen het feit dat de geschiedschrijving van de Nederlandse journalistiek niet sterk en die van de lokale Nederlandse journalistiek zelfs opmerkelijk zwak ontwikkeld is. Bovendien weten we vreemd genoeg meer van de lokale journalistiek in haar periode van neergang dan van deze journalistiek in eerdere fasen. En tot slot is het ook nog eens zo dat wat we weten van de lokale journalistiek in haar periode van neergang grotendeels beschreven is conform genoemde nieuwsparadigmatische visie. Het is een vicieuze cirkel waaruit ontsnappen moeilijk is en een ander beeld van de (lokale) journalistiek dan het gebruikelijke buitengewoon lastig maakt. 

Toch is dat wel wat hier wordt beoogd. De inspiratie daartoe kwam van drie kanten. Een daarvan is een oude en structurele. Zij schemert soms ook door in Nederlandstalige reflecties op lokale journalistiek: dat dergelijke journalistiek ook en misschien wel vooral een sociale functie vervult. Wat daarmee (precies) bedoeld wordt, blijft veelal onduidelijk en waar het wel duidelijk is, wordt het meestal niet  uitgewerkt. Uitzonderingen daargelaten natuurlijk. 

In heel wat buitenlands onderzoek, inspiratiebron nummer 2 van dit verhaal, ligt dat anders. Daar zijn wel tal van studies te vinden waarin uitvoerig ingegaan wordt op (lokale) journalistiek als middel tot bonding, bridging & linking om het in modern-wetenschappelijke termen te zeggen. Binding zou je als Nederlandse verzamelterm voor al die functies kunnen gebruiken: een krant bindt en verbindt, hij produceert wat ook wel genoemd wordt, mediated social capital.  

Tot slot inspiratiebron nummer 3. Die is van meer recente datum en heeft onder meer te maken met de opkomst van de zogenoemde participatiemaatschappij. Onder meer via platforms zou de journalistiek bij die participatie een sleutelrol (moeten/kunnen/willen) vervullen. Deze gedachte kwam ook naar aanleiding van de corona-epidemie, een enorme klap voor lokale media overigens, regelmatig naar voren: dat journalistiek het samenleven in moeizame tijden draaglijker en eenvoudiger zou (moeten/kunnen/willen) maken. 

In deze longread wordt een poging gedaan meer te zeggen over de periode waarin elk iets groter dorp en elke stad in Nederland zijn eigen krant – meestal kranten, meervoud – kreeg, grofweg de jaren tussen de Afschaffing van het Dagbladzegel in 1869 en de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Met ‘eigen krant’ wordt niet alleen een krant bedoeld die ter plekke uitgegeven werd (die bestond in de wat grotere steden veelal al langer) maar ook een krant die zich met name op de lokale bevolking richtte en daarom ook grotendeels informatie (‘nieuws’) bevatte die van lokaal of regionaal belang was. Weliswaar bestonden dergelijke kranten eveneens al langer maar zij waren tot het eind van de 19de eeuw in de meeste gevallen vooral advertentie- en (overheids)communicatiebladen. De kranten waar het hier om gaat, waren dat niet en zeker niet uitsluitend. Zij waren echte kranten, wat dat ook precies mag zijn; zij hadden in ieder geval weinig weg van het spreekwoordelijke sufferdje en bevatten evenmin overwegend mededelingen van betalende derden. Toch brachten deze kranten veelal iets anders dan hun op dat moment ook al bestaande maar voorlopig nog sterk in de minderheid verkerende grotere, landelijk georiënteerde broers – denk aan het Algemeen Handelsblad, de Nieuwe Rotterdamsche Courant en De Telegraaf, kranten die het beeld van de journalistiek tot op de dag van vandaag bepaald hebben. Het is echter zeer de vraag of dat beeld juist is. Hier wordt beweerd van niet. Tot diep in de 20ste eeuw was domineerde in Nederland de lokale journalistiek. Domineerde wil in eerste instantie zeggen dat verreweg de meeste mensen een lokale krant lazen. Zo’n krant vervulde veelal een andere functie dan genoemde landelijke kranten – meer sociaal dan informatief. Interessant en wellicht ook relevant is dat die sociale functie om vele redenen (waaronder de digitalisering c.q. rol van sociale media en de behoefte aan een ’thuis’ in een sterk geglobaliseerde wereld, zie voorgaande verwijzing naar de platformsamenleving) begin 21ste eeuw opnieuw veel aandacht krijgt. Daardoor is het denkbaar dat het verleden, zoals zo vaak, als inspiratiebron voor het heden dient. 

Nu is zelfs het vaag gestelde doel ‘meer zeggen’ over honderden en nog eens honderden kranten – want zoveel verschenen er in Nederland aan het eind van de 19de, begin 20ste eeuw, lokale kranten popten destijds op als krokussen in de lente – ambitieus. Om die reden is dit onderzoek een aantal beperkingen opgelegd. Ook is het nog lang niet afgerond, wat volgt is een eerste verkenning. 

De eerste van de beperkingen betreft de geografie. Om het enorme corpus aan kranten enigszins beheersbaar te maken, richt het onderzoek zich bij voorkeur (het was niet altijd mogelijk noch gewenst) op de ca. 35 middelgrootste steden van Nederland. Welke dat zijn en hoe die selectie tot stand is gekomen, wordt hier uitgelegd.

De tweede beperking is ingegeven door het werk van anderen. Om te beginnen heb ik geprobeerd van al die middelgrote steden geschiedenissen van de lokale journalistiek te vinden. Dat is niet altijd gelukt. Maar waar dat lukte, werd van die geschiedenissen dankbaar gebruik gemaakt. Verder heb ik me vanzelfsprekend ook laten leiden door onderzoek van derden, vooral buitenlanders. Daarvan heb ik eveneens dankbaar en in een enkel geval zelfs uitvoerig gebruik gemaakt. 

De derde beperking is ingegeven door de bronnen. Ik heb me grotendeels geconcentreerd op de door nationale (KB), regionale en lokale archieven gedigitaliseerde kranten en de daarbij door diezelfde archieven geboden zoekmogelijkheden op, onder meer, (kranten)titel, verspreidingsgebied, berichttype (bv. advertentie, familiebericht), trefwoord (bv. feuilleton, overlijdensbericht) en datum. 

Tot diep in de 20ste eeuw bestond de overgrote meerderheid van Nederlandse kranten uit (lokale) nieuwsbladen

1. Een ingrijpende verandering

Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw, met als symbolisch moment de Afschaffing van het Dagbladzegel in 1869, verschenen overal in Nederland kranten en krantjes, vaak zelfs meerdere tegelijk. Dit laat zich wellicht nog eenvoudig begrijpen, zou je zeggen, als het gaat om grotere steden als Deventer, Middelburg, Enkhuizen of Arnhem maar wat te denken van dorpen als Steenwijk en Stellingwerf, Oudewater en Overmaas, Westland en Westergo – destijds veelal zelfstandige gemeentes overigens. Ook deze en zo goed als alle andere, zeker iets grotere dorpen van Nederland kregen aan het eind van de 19de eeuw eigen bladen of blaadjes, nu eens Nieuws- en Advertentieblad, dan weer Courant, een derde keer Weekblad en vaak nog anders (Courier, Bode, Blad) genaamd. In bijna alle gevallen ging zo’n meer algemene omschrijving vergezeld van de naam van het dorp, stad of streek terwijl de titel regelmatig ook (bijna) uitsluitend uit die naam (bijv. De Bredenaar, De Noordhollander, De Noordooster) bestond. Maar meestal was zo’n titel dus een combinatie: Scheveningsche Courant, Nijmeegs Dagblad, Gorinchems Weekblad, Franeker Nieuws- en Advertentieblad, Barneveldse Krant.  

Bijna al deze kranten en krantjes zagen er anders uit dan kranten er tot dan toe uitgezien hadden. Dit geldt zowel vorm als inhoud. Kranten waren tot dan toe immers over het algemeen met woorden volgepropte druksels over van alles en nog wat. Als zo’n potpourri nieuws bevatte, dan kwam dat veelal van verre. Ook was dat nieuws lang niet altijd van belang maar volstrekt willekeurig: wat er op het moment van zetten binnen kwam. 

De achtergrond van de verandering die de (moderne) journalistiek mogelijk maakte, kan wellicht nog het beste begrepen worden met een uitdrukking als ‘nieuwe energie’. Dit om te beginnen letterlijk: elektriciteit en fossiele brandstof. De periode tussen 1870 en 1910 wordt niet toevallig aangeduid als die van de ‘tweede industriële revolutie’. Want zoals stoom tijdens de eerste industriële revolutie gedaan had en de digitalisering tegenwoordig doet, maakten de uitvinding van elektriciteit en het gebruik van fossiele brandstof eind 19de eeuw de kern uit van een dynamisch proces dat leidde tot verbetering, vernieuwing en versnelling op alle gebied. Het verklaart een destijds veelgebruikte kreet als ‘vaart der volkeren’. 

Van deze vaart profiteerden ook de journalistiek en het journalistieke productieproces – vandaar ook dat Huub Wijfjes zijn geschiedenis van de journalistiek pas in 1850 laat beginnen, tot dat moment was van journalistiek in onze betekenis van het woord geen sprake. Maar in dit geval – en dat is opmerkelijk, belangrijk én kenmerkend – bleef het daarbij niet. Want de journalistiek onderging de verandering niet alleen, zij was tevens een van de, zo niet de belangrijkste propagandist ervan. Wat tot dan toe voorbehouden was geweest aan mondelinge communicatie of pamfletten en boeken en om die reden onvermijdelijk beperkt bleef tot een klein gebied of een minderheid, werd  sinds het eind van de 19de eeuw eerst en vooral in en door kranten verkondigd. Daarmee werd het in veel grotere kring bekend. Hiermee vertelden kranten niet alleen wat er in de wereld gebeurde, zij stuurden de gebeurtenissen ook. De journalistiek was (& is) spiegel en beeld(vormer) tegelijk. Dat maakt haar bijzonder en gaf haar ook op lokaal niveau een ongekend belangrijke rol. 

Albert Engström: The Artist's Father reading a Newspaper (1892) Nationalmuseum Stockholm

2. Drie soorten kranten & hun oplages

Verreweg de meeste (laat)19de, begin 20ste eeuwse kranten verschenen een paar keer per week. De gebruikelijke term voor dergelijke, regelmatig (één, twee, drie en in een enkel geval, de Zierikzeesche Nieuwsbode sinds 1961 bijv., zelfs vier keer per week) verschijnende kranten of krantjes is nieuwsblad. De eerste Nederlandse krant die dagelijks verscheen, dagblad werd dus, is het Algemeen Handelsblad (1830), gevolgd door de NRC (1844), de Opregte Haarlemsche Courant (1847), De Tijd (1849), de Arnhemsche Courant (1854) de Utrechtsche Provinciale en Stadscourant (1854), de Amsterdamsche Courant (1856) en het Leidsch Dagblad (1860). Na de Afschaffing van het Dagbladzegel ging het snel en kwamen er steeds meer dagbladen bij maar zowel in aantal als in (althans totale) oplage vormden zij voorlopig nog een minderheid. De overgrote meerderheid van de Nederlandse kranten bestond uit (lokale) nieuwsbladen. 

Eind 19de, begin 20ste eeuw verschenen in Nederland honderden, vele honderden nieuwsbladen. Alleen al in de tweehonderd pagina’s lange bijlage die Johan Hemels toevoegde aan zijn dissertatie over het Dagbladzegel, worden over de laatste decennia van de 19de eeuw (tot 1890) zoveel titels genoemd dat het duizelt. Een nadere inventarisatie hiervan met betrekking tot de ca. 35 middelgrootste steden van Nederland toont dat elke stad eind 19de eeuw al meerdere kranten had. In bijna alle gevallen nam het aantal daarna nog toe. Neem Vlaardingen, een stadje met een zeer snel groeiende bevolking (1883: 10.000, 1904: 20.000): kort na de Afschaffing van het Dagbladzegel verschenen er twee krantjes, eind jaren ‘80 waren het er drie, begin 20ste eeuw vier. 

Min of meer hetzelfde kan verteld worden over Leiden en Apeldoorn, Hoorn en Groningen, Haarlem en Dokkum, Venlo, Veendam, Tilburg, Winterswijk, Amersfoort en vanzelfsprekend de (vier) grote steden: Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht. 

De nieuwsbladen van weleer waren veelal echte kranten. Dat kan niet gezegd worden van het derde type krant dat sinds lang, in Nederland en elders, verscheen: het huis-aan-huis- of advertentieblad. Het is het vooral dit type dat de lokale journalistiek – en daarmee uiteindelijk ook het nieuwsblad, eind 20ste eeuw gingen de twee  veelal in elkaar op – een slechte naam bezorgde. Toch is ook dit advertentieblad voor de ontwikkeling van de journalistiek veel belangrijker (geweest) dan gewoonlijk wordt aangenomen. De verklaring is eenvoudig: journalistiek was business, is business; zonder advertenties, familieberichten en andersoortige betaalde inzendingen is die business, de journalistiek dus en in dit geval de krant, ten dode opgeschreven. Dat geldt niet alleen een kwaliteitskrant als het niet toevallig zo genoemde Algemeen Handelsblad, het geldt ook de honderden kranten en krantjes die elders verschenen en dat eigenlijk slechts om één reden ook bleven doen: dankzij betaalde ‘inzendingen’. Inkomsten uit abonnement en losse verkoop waren zelden voldoende om de kosten te dekken. 

De oplages van dag-, nieuws- en advertentiebladen ontliepen elkaar eind 19de eeuw minder dan je zou verwachten. Neem de jaren ‘80 van die eeuw, een moment waarvan we, niet toevallig, dankzij een Amerikaanse reclameman bekend zijn met de oplages van honderden Nederlandse kranten: van de meeste van die kranten werd slechts een paar duizend exemplaren gedrukt. Hierop waren uitzonderingen: het Algemeen Handelsblad, Het Nieuws van den Dag, De Provinciale Groninger Courant en nog enkele. Maar in zo goed als alle andere gevallen was de norm twee- tot drieduizend. 

Overigens is het buitengewoon moeilijk over de 19de eeuwse krant cijfers te achterhalen. Het verzamelen daarvan is sprokkelwerk. 

Een bewijs van het feit dat de gemiddelde Nederlandse krant tot diep in de 19de eeuw geen hogere oplage behaalde dan enkele duizenden is het feit dat het eerste nummer van de Haagsche courant, d.d. 9 april 1883, verscheen in een oplage van 3277 exemplaren. En dan gaat het niet om een zoveelste krantje van een willekeurige drukker maar om een prestigieus project van een gerenommeerde uitgeversfamilie (Sijthoff), bovendien bedoeld voor een grote stad. 

Het laat zich eenvoudig verklaren dat kranten eind 19de eeuw in zo’n beperkte oplage verschenen: de spoeling was dun. Behalve in een paar grote steden woonden nergens in Nederland meer dan enkele tienduizenden mensen. Niet iedereen in zo’n stadje kon of wilde (een krant) lezen, niet iedereen kon een krant betalen, adverteerders waren niet altijd te vinden, kortom in Gouda (1882: 18.480 inwoners), Zwolle (13.679), ‘s Hertogenbosch (24.894) en Maastricht (28.927) kon een krant onmogelijk een oplage bereiken die boven de paar duizend lag. De enige manier om een hogere oplage te bereiken, was de uitgave van een landelijke krant in en vanuit een grote stad, Amsterdam voorop. Maar dat vereiste veel: inzet, investering, know how, transport. 

Er is nog een reden dat kranten tot ruim in de 20ste eeuw zelden een oplage hadden die hoger lag dan enkele duizenden: de oriëntatie van de meerderheid van de bevolking was lokaal of regionaal. Slechts een minderheid was geïnteresseerd in nationaal of internationaal nieuws. Verreweg de meeste mensen leefden min of meer besloten in eigen omgeving, in dorp, stad of streek. Zelfs Amsterdam en Den Haag werden ‘in de provincie’ gezien als Verweggistan. Niet verwonderlijk dus dat men, speciale momenten, personen of gebeurtenissen uitgezonderd,  bijna uitsluitend belangstelling hadden voor nieuws uit de eigen regio, lokaal nieuws dus. En dat bestreek per definitie een klein gebied. 

Tot ver in de 20ste eeuw was de oriëntatie van de meerderheid van de bevolking lokaal of regionaal. Slechts een minderheid was geïnteresseerd in nationaal of internationaal nieuws.

Rik Wouters: Vrouw in het zwart, krant lezend (ca. 1912). Kon Mus. voor Schone Kunsten Antwerpen

3. Waarom een krant lezen?

Kort na de Tweede Wereldoorlog verrichtte de Amerikaanse gedragswetenschapper Bernard Berelson onderzoek naar de New Yorkse krantenlezer. Aanleiding was een zeventien dagen durende krantenstaking. Deze trof zo’n 13 miljoen mensen. Kranten waren bijna niet te krijgen en wie er toch een wilde, moest op jacht. De gebeurtenissen werden na afloop geanalyseerd in een artikel dat faam maakte: ‘What “missing the newspaper” means’. In dit artikel komt Berelson tot een aantal opmerkelijke conclusies. Een daarvan is dat velen zich zonder krant verloren voelden. ‘I am like a fish out of water,’ zei een van de ondervraagden. ‘You feel put out and isolated from the rest of the world,’ zei een ander. En een derde: ‘we’re at a loss without our paper.’ 

Je zou denken dat dit gevoel van verlorenheid veroorzaakt werd het gebrek aan informatie over wat in de wereld gebeurde, door gebrek aan ‘nieuws’ dus. Dat is volgens Berelson niet het geval. De gemiddelde krantenlezer was volgens hem helemaal niet zo geïnteresseerd in nieuws. Hij las de krant om andere redenen – en miste hem dus ook om andere redenen: gewoonte, verstrooiing, prestige, sociaal contact. Vandaar ook dat het ontbreken van de krant zo’n moeilijk te omschrijven gevoel van leegte gaf. Want wat miste men nu eigenlijk? Een van de ondervraagden sprak van ‘feeling out of place.’ Zijn wereld leek in elkaar gestort. In de metro zat hij dom voor zich uit te staren. Wat moest hij doen als de krant er niet was?

Moderne mediagebruikers kennen dit gevoel. Iedereen is het wel eens overkomen ‘dat het internet eruit ligt’. Op grote schaal gebeurde iets dergelijk toen op vrijdag 27 maart 2015 een groot deel van de provincie Noord-Holland en Flevoland getroffen werd door een stroomstoring. Treinen reden niet, ziekenhuizen startten noodaggregaten, Schiphol had problemen, stoplichten gingen op zwart, liften kwamen vast te zitten. Was dit al vervelend, vervelender was dat zo goed als iedereen opeens van alle contact verstoken was. Computers werkten niet, mobieltjes evenmin, er was geen email, internet, niets. Het was een onwerkelijke situatie.

Halverwege de 19de eeuw zullen dergelijke gevoelens niet of hoogstens bij een enkeling bestaan hebben. Weinigen lazen, weinigen konden lezen, weinigen konden drukwerk betalen en weinigen tot slot hadden tijd of interesse voor wat in dat drukwerk beschreven werd. Lezen beperkte zich tot diep in de 19de eeuw – buiten de westerse wereld nog langer – tot een zeer kleine groep, hoogstens een paar procent van de bevolking. Maar dat veranderde dus toen er op steeds meer plekken steeds meer kranten verschenen – iets wat mede mogelijk werd gemaakt door de snel groeiende alfabetisering. Het is zeer waarschijnlijk dat die kranten op den duur eenzelfde functie vervulden als die van New York uit het onderzoek van Berelson. Tal van incidentele opmerkingen in herinneringen, boeken en de kranten zelf wijzen daarop: dat het lezen van een krant meer was dan de bevrediging van een behoefte aan nieuws. Het was eerst en vooral een sociaal gebeuren.

Dat het lezen van een krant een sociaal gebeuren is, komt ook naar voren uit onderzoek volgens de zogenoemde uses and gratification-theory. Dergelijk onderzoek richt zich niet op de vraag wat media met het publiek doen maar op wat het publiek met media, in dit geval de krant, doet. Steeds weer blijkt dat belangstelling voor ‘nieuws’ slechts een (klein) deel van de belangstelling voor de krant uitmaakt en dat ‘de lezer’ minstens zoveel aandacht heeft voor  zaken die met journalistiek weinig of niets van doen hebben. Helaas is het buitengewoon moeilijk hierover, zeker ten aanzien van een verder verleden, meer te zeggen. Bijna alles wat we van de journalistiek uit het verleden weten betreft de productiezijde. Het tegenwoordig zogenoemde en op dit moment (2022) opmerkelijk populaire ‘audience research’ is in historisch onderzoek zwak ontwikkeld: van de lezer weten we weinig en van de krantenlezer bijna niets. 

De gemiddelde krantenlezer was volgens Berelson helemaal niet zo geïnteresseerd in nieuws. Hij las de krant om andere redenen – en miste hem dus ook om andere redenen: gewoonte, verstrooiing, prestige, sociaal contact.

4. Communicatiemodellen

Op de kleinmenselijke kant van de journalistiek of, anders gezegd, op het feit dat men een krant lang niet altijd en zeker niet uitsluitend leest vanwege ‘het (politieke, economische of maatschappelijke) nieuws’ wordt (te) zelden klemtoon gelegd. Dat heeft verschillende, veelal complexe verklaringen. Een daarvan is dat de journalistiek veelal bezien wordt vanuit het perspectief van de makers en die – journalisten voorop, media-onderzoekers in hun voetspoor – hebben van het vak of de journalistieke werkzaamheid een even specifieke als beperkte opvatting. Deze opvatting spoort veelal met het eerder genoemde nieuwsparadigma

Een tweede verklaring is dat een eventueel lezersperspectief op de journalistiek bijna uitsluitend oog heeft gehad voor een (mannelijke) elite en die was, naar zich laat aanzien, inderdaad bovenmatig geïnteresseerd in informatie over politiek, economie, samenleving en eventueel cultuur. En waar dat niet zo was, werd het liever verzwegen dan beklemtoond. 

Een derde verklaring houdt met een en ander nadrukkelijk verband en is dat de beeldvorming (waaronder geschiedschrijving) van de journalistiek veelal gebruik maakt van een specifiek beeld van communicatie: van hoe journalistiek werkt of wat zij is. Gewoonlijk wordt dat beeld omschreven met de uitdrukking ‘transmissiemodel’. 

Het zogenoemde transmissiemodel van zender, boodschap en ontvanger is echter zeer beperkt. Een van de velen die dat beweert is de Amerikaanse communicatie- en journalistiekdeskundige James Carey. Hij stelt dat het bij communicatie om veel meer gaat dan zenden en ontvangen. Het gaat vooral, zegt hij, om verwerken. Ook nieuws is niet zoiets als een pakketje dat je afgeeft en daarmee klaar. Nieuws is onderdeel van ‘een symbolisch proces waarbij de werkelijkheid geproduceerd, gehandhaafd, aangepast en veranderd wordt’. Communicatie is dus niet zozeer een mededeling in de gebruikelijke betekenis van dat woord (overdracht van een boodschap) maar veeleer ‘mede-deling’, met de klemtoon op mede en delen, gezamenlijkheid dus. Carey spreekt in dit verband van ‘the representation of shared beliefs’ – en dat is iets anders dan ‘the act of imparting information’. Zie ook wat hiervoor over krantenlezers gezegd werd: (de meeste) mensen lezen een krant om andere redenen dan vanwege de informatie; net als de televisie of het mobieltje is een krant ook en misschien wel eerst en vooral een ‘levenslijn’: hij verbindt je niet alleen met ‘de ander’, hij maakt ook dat je je verbonden voelt. 

Dat een krant eerst en vooral aan het gemeenschapsgevoel appelleert, is een oeroude gedachte die, voor zover mij bekend, voor het eerst geformuleerd werd door een journalist van de Bamberger Zeitung, niemand minder dan filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Das Zeitunglesen des Morgens früh ist eine Art von realistischem Morgensegen. Man orientirt seine Haltung gegen die Welt an Gott oder an dem, was die Welt ist. Jenes gibt dieselbe Sicherheit wie hier, dass man wisse, wie man daran sei.

Hegel stelde dat het lezen van de krant voor de burger zoiets is als wat het ochtendgebed is voor de gelovige. Zoals dat gebed de gelovige, al is het maar voor even, aan god en zijn gemeenschap (van gelovigen) verbindt, zo maakt het lezen van een krant iemand tot deel van een ander soort gemeenschap, een dorp of stad, natie of zuil, club of vereniging. Het is overigens een visie die uit Amerikaans onderzoek maar al te goed en ook sinds lang (Tocqueville) bekend is en dankzij een in kleine kring beroemd boek van de Amerikaanse antropoloog Benedict Anderson her en der ook in Nederland doordrong. 

‘The reader joins a world of contending forces,’ stelt Carey. Het beeld dat hij hierbij geeft is dat van een kerkdienst, zangkoor of theateruitvoering. Voor zo’n gemeenschap is een boodschap, idealiter althans, een gemeenschappelijk goed dat gezamenlijk ontvangen, verwerkt en vervolgens opnieuw uitgedragen wordt. Het klassieke (‘transmissie-’) communicatiemodel gaat hieraan voorbij; het richt zich bijna uitsluitend op het zenden en ontvangen (van een bericht). Als dat laatste gebeurd is, lijkt het proces afgelopen. Volgens het rituele communicatiemodel begint het dan pas. 

5. Panorama van de lokale krant

De lokale krant maakte deel uit van een relatief kleine gemeenschap en werd grotendeels gevuld door mensen die binnen die gemeenschap een rol speelden: politici, artsen, cultuurbonzen, de lezers zelf en, vanzelfsprekend, de eigenlijke makers van de krant, ‘journalisten’. Allen, ook die journalisten, woonden (bijna) zonder uitzondering ter plekke en waren niet alleen bekend van naam maar ook van gezicht. Ook kenden zij een groot deel van hun publiek. Veel van het door hen gebrachte nieuws betrof de eigen gemeenschap. Nieuws in de gebruikelijke betekenis van het woord maakte slechts een (klein) deel uit van wat in de krant stond – en de lezers interesseerde. Heel veel van wat de krant publiceerde was geen nieuws in de gebruikelijke betekenis van het woord maar veeleer een nieuwtje of voor kleine kring bestemd weetje of ditjedatje. Vaak werd zo’n weetje geplaatst en betaald door de lezer zelf en om die reden omschreven als advertentie of ingezonden mededeling. Dergelijke ingezonden mededelingen waren commercieel of sociaal. In het ene geval hadden ze betrekking op aanbod en vraag, koop en verkoop, in het andere op mededelingen over  mensen of gebeurtenissen uit de eigen gemeenschap, om geboorte, verloving, huwelijk, dood en liefde c.q. contact. 

Van nauwelijks groter belang dan de ingezonden mededelingen van de lezer waren de meeste andere berichten of mededelingen in de lokale krant. Zij waren veelal uitsluitend interessant voor de eigen gemeenschap, meestal nog slechts voor een deel daarvan, en betroffen lokale zaken zoals de aanleg van een station, de verbreding van een straat, een bedrijfsongeluk bij de lokale fabriek of de vestiging van een nieuwe winkel, kortom een van de vele publieke zaken van alledag. Net als persoonlijke – waren deze publieke nieuwtjes vermoedelijk vooral zo geliefd omdat men er verder over kon praten. 

Dat gold soms ook het nieuws van elders – Den Haag, Amsterdam, Parijs – maar veelal werd dat dergelijk nieuws toch gezien als weinig meer dan een mededeling die men al dan niet voor kennisgeving kon aannemen. Dat lag slechts anders op momenten die ertoe deden of waarvan men het gevoel had dat ze ertoe deden –  oorlog, epidemie, troonswisseling, eventueel een wereldtentoonstelling of voetbalwedstrijd van het nationale team. Dergelijke momenten kwam in de 19de eeuw minder vaak voor dan in de 20ste eeuw en aan het begin van deze eeuw minder vaak dan aan het eind. De verklaring hiervoor ligt voor de hand: het duurde lang voordat Nederland een natie was en zijn bewoners zich ook daadwerkelijk Nederlander voelden – en niet in de eerste, tweede en derde plaats Limburger of Drentenaar, Amsterdammer of Achterhoeker en eventueel katholiek, protestant, sociaal-democraat, liberaal of ‘niks’. Maar voor het zover kwam (en dat gebeurde eigenlijk pas definitief na en deels ook door de Tweede Wereldoorlog, na de introductie van de televisie en de massale aanschaf van de auto, verbeterde communicatie dus, en door de ontzuiling) werd het nieuws op 9 van de 10 dagen voor de meeste mensen steeds weer in belang overtroffen door nieuwtjes over of uit de eigen omgeving.  

Van deze nieuwtjes moet tot slot nog één speciale categorie vermeld worden – een categorie waarin de lokale krant een cruciale rol vervulde als schakel tussen buiten- en binnenwereld, tussen internationaal of nationaal én lokaal. Dat is het nieuws dat gaat over de lokale introductie van de grote veranderingen die overal in de wereld plaatsvonden: de aanleg van het plaatselijke elektriciteits- of telefoonnet, de introductie van stromend water, de ingebruikneming van de eerste paardentram, electrische tram of bus, de aanleg van het riool. Dergelijke vernieuwingen kwamen overal – maar overal net een beetje anders, met andere hoofdpersonen, andere problemen, andere oplossingen.  Daarvan vertelde de lokale krant: groot nieuws klein gebracht

Toronto Canada 1919. Mannen op zoek naar een baantje

6. De journalistiek wordt lokaal

Eind 19de eeuw kreeg de Opregte Haarlemsche Courant, een van de oudste kranten van Nederland, ja van de wereld en gedurende geruime tijd zelfs dé krant van Europa, last van de beruchte Wet van de Remmende Voorsprong. Anders gezegd: de voorsprong uit het verleden werd de achterstand in het heden. Ook in dit geval was het weer de Afschaffing van het Dagbladzegel die als trigger functioneerde. Tevoren had de krant het al niet gemakkelijk – de tijden veranderden en als voorloper had de Opregte daarvoor voldoende oog – maar na 1869 kreeg hij het almaar moeilijker. Een van de vele redenen daarvan is dat er, in Haarlem en elders, steeds meer kranten verschenen. Daaronder vanaf 1876 de katholieke Nieuwe Haarlemsche Courant en, belangrijker, vanaf 1883 het Haarlem’s Dagblad. De concurrentie op landelijk niveau was nog groter en internationaal was de rol van de Opregte zelfs al geruime tijd uitgespeeld. De spoeling werd dus dunner. Maar dat was niet het enige. De nieuwe kranten wisten ook gemakkelijker een andere, meer aan de tijd aangepaste toon te vinden. De Opregte was tot op zekere hoogte weliswaar nog altijd de krant van de elite maar het werd steeds moeilijker op basis van zo’n kleine doelgroep een krant draaiende te houden. De Enschedé’s, uitgevers van de krant, deden dat dan ook niet. Zij concentreerden zich op andere bezigheden, in het bijzonder het drukken van boeken. 

Terwijl de Opregte Haarlemmer in de jaren ‘70 van de 19de eeuw nog winstgevend was, begon hij in de jaren ‘80, vooral na de lancering van het Haarlem’s Dagblad, verlies te maken. Aanvankelijk lieten de Enschedé’s het gebeuren, hun trots maakte een andere koers ondenkbaar. Maar eind jaren ‘80 werd een grens bereikt. Er werd bezuinigd, van de drie edities bleef er slechts één over, de prijs van de krant werd verlaagd. Het hielp niet of nauwelijks. Per jaar legde het bedrijf zo’n 30.000 gulden op de krant toe.

Begin 1900 werd tot een andere strategie besloten en verscheen naast de ‘gewone’ krant ook een stadseditie, met een eigen hoofdredacteur en tot op grote hoogte een eigen redactionele koers. Het bleek een gouden greep. Binnen enkele jaren bereikte ‘de Stads-editie’ zoals deze uitgave van de krant spoedig genoemd werd, een oplage van 10.000 exemplaren. Een succes dus maar een succes met een zwart randje omdat het hierdoor zo mogelijk nog slechter ging met de oorspronkelijke krant, op den duur zelfs zo slecht dat de Opregte, naar verluidt, nog maar enkele tientallen abonnees had. Uiteindelijk gebeurde het onvermijdelijke: in 1909 werd de oude bij de nieuwe krant gevoegd waarbij het, pijnlijk maar waar, laatstgenoemde was die de dienst uitmaakte: de fameuze Opregte van de nationale en zelfs internationale elite was een lokaal blad geworden.

Naar zich laat aanzien is de ontwikkeling bij de Opregte Haarlemsche kenmerkend voor die van heel de Nederlandse journalistiek aan het eind van de 19de, begin 20ste eeuw: zij werd steeds lokaler. Dat blijkt ook als je, bijvoorbeeld, De Gooi- en Eemlander bekijkt. Het eerste nummer daarvan, toen nog Het Gooische Nieuwsblad genaamd, verscheen op 11 november 1871 (in Hilversum). Het was een kleine krant, niet meer dan 2 pagina’s. Maar anders dan je zou verwachten stond er weinig over Hilversum en omgeving in. Het nieuws begon met de rubriek ‘buitenland’, daarna volgde ‘binnenland’ en pas op de 2 kwam een kleine rubriek met plaatselijk nieuws. 

Hoe anders de krant van 20 jaar later. Heel de eerste en het merendeel van de tweede pagina is gewijd aan plaatselijk nieuws. Dat is van allerlei aard en veelal zo gedetailleerd dat je je afvraagt wie in hemelsnaam in zoiets geïnteresseerd was. Zo het eerste bericht in De (toen inderdaad zo geheten) Gooi- en Eemlander van zaterdag 14 november 1891. Het gaat bijna een volledige kolom lang over een vergadering van de Afdeling Gooiland van de Nederlandse Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde en vertelt uitvoerig over een daar gegeven lezing over boomteelt. Daarin onder meer een volledige paragraaf over hoe je een boom plant. Ander nieuws in dezelfde krant zal meer lezers geïnteresseerd hebben. Zo dat van de storm die alle planken van een steiger bij de plaatselijke katholieke kerk naar beneden had geworpen, van een brandje op het Veeneind, de huidige Emmastraat, cultureel nieuws en allerlei wistjedatjes waaronder niet in de laatste plaats lokale sensaties als roof, huiselijk geweld, doodslag en andere misdaden. Heel vaak bracht de krant weinig anders dan een geschreven versie van het dorpsgeklep. Daaronder:

Een negenjarig meisje, dat zooals kinderen meer doen, aan een vrachtwagen was gaan hangen, om een eindje mede te rijden, viel er af, kreeg een der wielen over het been en bezeerde dit zeer ernstig, zoodat zij door de inmiddels toegeschoten buren naar huis moest worden gedragen

Naarden, 11 Nov. Door het Prov. Gerechtshof te Amsterdam is T. B. in hooger beroep schuldig verklaard aan het melken eener koe in de weide en deswege veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. Genoemde T. zal eerstdaags nog terecht staan wegens diefstal van aardappelen, ’t Begrip tusschen mijn en dijn schijnt dus bij hem niet groot te zijn. 

Door de politie is tegen de huisvrouw van G. v. W. proces-verbaal opgemaakt, wijl zij zich schuldig gemaakt heeft aan het schenken van sterken drank aan een kind van veertien jaren. 

Zo gaat het door, anderhalve pagina dichtbedrukt. Het wordt gevolgd door een kolom met Kerknieuws, dat wil zeggen opsommingen van diensten en voorgangers. Vervolgens komt iets meer dan een halve pagina ‘Gemengd nieuws’: binnenlands en buitenlands door elkaar. Dit loopt over naar de 3de pagina die verder gevuld is met mededelingen van de burgerlijke stand, mededelingen van de posterijen, idem dito over markten en tot slot advertentien, eerst familie-, daarna commerciële berichten. Die zijn bijna uitsluitend afkomstig van lokale personen of bedrijven. Al met al zijn dus 3,5 van de 4 pagina’s louter lokaal, zij het met de kanttekening dat dit begrip ruim genomen moet worden, zeg van Baarn tot Weesp. 

De Vlissingsche Courant – om een derde voorbeeld, nu uit het zuiden van het land te nemen – vertoont in dezelfde periode een ander patroon. Het nummer van 10 november 1872 (in 1871 verscheen de krant nog niet) besteedt heel de eerste en het begin van de 2de pagina aan Nederlands nieuws, vooral dat van de omgeving, de stad zelf, Roosendaal, Zierikzee. Maar Den Haag, Amsterdam en andere landelijk nieuws wordt niet vergeten. Op de 2 staat vooral buitenlands nieuws, op de 3 en 4 mededelingen en advertenties. 

Het nummer van 20 jaar later (11 nov 1892) ziet er volstrekt anders uit en bevat op de voorpagina nauwelijks nieuws, wel een uitvoerig opiniestuk en een feuilleton. Het nieuws dat er staat, onder de kop Binnenland, gaat deels over Vlissingen, deels over Haagse politiek. Op de 2 loopt het feuilleton door, met daarboven een allegaartje van binnen- en buitenlands nieuws, plus informatie over lopende rechtszaken. Dat allegaartje loopt door op de 3, wordt gevolgd door een ingezonden stuk en afgesloten met advertenties en tijdingen. Deze laatste lopen door op pagina 4. 

De krant is in plaats van meer dus minder lokaal gericht dan tevoren. Dat zie je ook in de advertenties: die zijn algemener, veelal van merken die overal verkrijgbaar zijn en niet, zoals in Hilversum, van de plaatselijke middenstand. Zou het zo kunnen zijn dat de Vlissingsche Courant zich, net zoals de aloude Opregte Haarlemsche –, de Leeuwarder – en (voorheen, de krant was eind 19de eeuw eveneens lokaal geworden) Arnhemsche Courant op een andere doelgroep richtte, op dezelfde elite die vóór de Afschaffing van het Dagbladzegel het lezerspubliek van de krant had gevormd maar binnen het groeiend publiek van de massamedia vervolgens een minderheid uitmaakte? Op die minderheid concentreerde zich slechts een handvol kranten. Daaronder ook enkele regionale waaronder dus blijkbaar de Vlissingsche. 

Toch ging ook deze uiteindelijk overstag. Ter illustratie hiervan een nummer van november 1922. De krant is dan een dagblad, met door de week meestal 4 (soms 6) en op zaterdag 6 of meer (en één keer, 25 nov., zelfs 16) pagina’s. Het nummer van (maandag) 13 november – met in de manchet overigens een opmerkelijke mededeling over een gratis verzekering tegen ongelukken voor abonnees, een van de vele manieren waarop kranten probeerden lezers te werven – opent met twee kolommen binnenlands nieuws, gevolgd door evenzovele kolommen Stads- en Provincienieuws. Ook heeft de krant nog altijd een feuilleton op de 1. De 2 vervolgt met lokaal nieuws, dan voetbaluitslagen van vooral de afdeling zuid en de provincie Zeeland, vervolgens een lang ingezonden stuk van een plaatselijke ‘beroemdheid’ en uiteindelijk buitenlands nieuws. Dit laatste loopt door op de 3, wordt gevolgd door een allegaartje aan nieuws, vermaak (‘Eventjes lachen’) en beschouwingen. De 4de pagina tot slot is geheel gewijd aan advertenties en mededelingen. De Vlissingsche Courant, kortom, was uiteindelijk dus ook een echte lokale krant geworden. 

Dit geldt verreweg de meeste kranten en, een enkele uitzondering daargelaten, zelfs de kranten die voor landelijk doorgingen. Vandaar ook dat historicus Jan Bank zonder twijfel gelijk heeft met zijn bewering dat tal van 19de eeuwse Nederlandse kranten weliswaar het predikaat ‘landelijk’ hadden maar in feite Amsterdams waren. 

Dit wordt ook geïllustreerd door cijfers. Dagbladen waren er eind 19de eeuw al flink wat. Volgens Hubbard’s Directory waren dat er in Nederland in 1882 37 – van de door hem vermelde 421. Maar (bijna) al die dagbladen waren lokaal. En verzuilde kranten in de klassieke betekenis van het woord (landelijke kranten die zich op een specifieke doelgroep richten) waren in 1882 nog op één hand te tellen. Tenzij je liberale kranten ook als verzuild zou willen omschrijven waren dat slechts: 

  • De Tijd (katholiek, 1845, sinds 1849 dagblad, vooral Amsterdams)
  • De Maasbode (katholiek, 1868, sinds 1885 dagblad, vooral Rotterdams)
  • De Standaard (protestants, 1872, begon als dagblad, niet aan een plek gebonden)

Oplagecijfers vertellen eenzelfde verhaal: van het relatieve belang van de nationale – en het grote belang van de lokale en regionale kranten. Zo had het Algemeen Handelsblad aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een oplage van ca. 17 – en De Telegraaf van ca. 20 duizend exemplaren terwijl bovengenoemde verzuilde bladen zelden meer dan 4 duizend exemplaren verspreidden. Maar Het Rotterdamsch Nieuwsblad en de Amsterdamse kranten De  Courant en Het Nieuws van den Dag (beide met landelijke pretenties overigens) zaten hier ver boven terwijl ook andere lokale en regionale kranten oplagen behaalden die eveneens behoorlijk uitstaken boven die van de landelijke, laat staan die van de verzuilde pers. En dan hebben we het nog slechts over afzonderlijke kranten. Tel je de oplages van de lokale en regionale kranten bij elkaar op, dan vallen de nationale kranten zelfs volledig in het niet. 

Kortom, eind 19de, begin 20ste eeuw was het Nederlands krantenlandschap eerst en vooral lokaal en/of regionaal. Net als elders overigens, in Engeland bijv. of Frankrijk (ook hier) en Duitsland – om van de VS niet te spreken. 

Om de toenmalige situatie te begrijpen zou je eigenlijk niet vanuit het heden naar het verleden maar vanuit een nog verder verleden naar wat toen de toekomst was, moeten kijken. ‘Heette de oudste krant in de Republiek eerst nog Courante uyt Italien, Duytslandt, &c., na een fusie met andere kranten in Amsterdam werd de titel een halve eeuw later alsnog Amsterdamse Courant,’ schrijft Joop Koopmans in een studie van Nederlands’ oudste kranten. 

In andere Hollandse steden verbonden de krantenmakers de stadsnaam meteen of na veel kortere tijd dan in Amsterdam aan de eigen krant. Zo werd de Weeckelijcke Courante van Europa van 1656 al na twee jaar herdoopt in de Haerlemsche Courant en startten de kranten van Rotterdam en Leiden als Rotterdamse Zee- en Posttydingen (1666) en Ordinaris Leydse Courant (1686). Met zulke titels was de stedelijke herkomst voor iedereen direct duidelijk. Ook waren er kranten met een gewestelijke aanduiding, zoals de Delftse Hollandsche Historische Courant (1736) en de Zwolse Overijsselsche Courant (1790). 

Samengevat: de meeste journalistiek was lokaal en bleef dat voorlopig ook, veelal langer dan aangenomen wordt. 

"In the minds of each lives the image of their communion."

Hugo Wilhelm Kauffmann (1844-1915)

7. In 't hart van de gemeenschap

De lokale functie verklaart dat kranten destijds veelal opereerden vanuit een centrale plek in de stad. Het liefst liet de uitgever op zo’n plek dan ook een prestigieus gebouw neerzetten. Naar Amerikaans voorbeeld kreeg zo’n gebouw al snel de kwalificatie van ‘krantenpaleis’. Evenals het stadhuis, het theater en weldra de bioscoop functioneerde zo’n paleis als lokale magneet. Dit laatste was temeer het geval vanaf het moment dat het gebruik werd het nieuws aan de gevel van het gebouw of in een speciaal daartoe ingerichte ‘tijdingzaal’ te etaleren. Net als later voor de etalages van televisiewinkels stonden daar steeds weer groepjes mensen en lazen c.q. bespraken wat binnen de eigen gemeenschap en elders gebeurde, wat te koop aangeboden werd, wie geboren was, wie gestorven en, vanzelfsprekend, de laatste roddel. Later gingen sommige kranten (Rotterdamsch Nieuwsblad bijv., in 1928) nog verder en lieten aan de gevel van het gebouw een ‘lichtkrant’ bevestigen. Hij was als de kerktoren van de moderniteit, nu niet met klokkengelui dat verwees naar de eeuwigheid maar met verlichte letters die spraken van de actualiteit.

Een bekend en regelmatig beschreven voorbeeld van zo’n krantenpaleis is de zetel van het Leidsch Dagblad aan de Witte Singel in, vanzelfsprekend, Leiden. Het werd ontworpen door Willem Dudok, neergezet door Jacob Oud en betaald door een van de zoons van uitgever en drukker Albert Willem Sijthoff (1829-1913), stichter van het gelijknamig uitgeversgeslacht en oprichter van het Leidsch Dagblad (1860), Het Vaderland (1869), het Rotterdamsch Nieuwsblad (1878) en enkele kleinere kranten waaronder het Dordrechtsch Nieuwsblad (1887). Een van zijn zonen richtte de Haagsche Courant (1883) op. 

Nadat Sijthoff sr. zijn kranten onder zijn zonen verdeeld had, bracht de jongste, Gerard Henri, de Leidse zo tot bloei dat hij begin 20ste eeuw kon besluiten een nieuw gebouw op te trekken. Dat werd het fraaie monument in Amsterdamse School-stijl met aan de gevel sierlijke letters, het beeld van een kraaiende haan, glas-in-lood-ramen en een aparte Tydingzaal. De zetels van de andere, grotere kranten van de Sijthoff’s en dan met name die in Rotterdam aan de Oude Binnenweg en in Den Haag op de hoek van de Wagenstraat en de Grote Markt deden  nauwelijks onder voor het Leidse pronkstuk. In ieder geval was hun positie in de stad dezelfde: centraal.

Zo ook de rol die de eigenaren van deze kranten speelden. Neem Albert Willem, Sijthoff sr.’s oudste zoon en uitgever van de Haagsche Courant. Hij bemoeide zich in ‘zijn stad’ met alles, ging regelmatig de kroeg in om te horen wat men van zijn krant vond, promootte operavoorstellingen, subsidieerde het plaatselijk mannenkoor, verzorgde evenementen, steunde het Haags Gemeentemuseum, stelde lezers in staat een reisje naar Parijs te maken, voorzag hen gratis van rechtskundig advies en liet als kers op de taart op het pand van de krant een fameus planetarium bouwen, ‘om stadgenoot en vreemdeling in te wijden in de wonderschoone geheimen van de wereldruimte’. Het zou tot de brand in 1975 een van de belangrijkste Haagse trekpleisters zijn.

Hetzelfde kan verteld worden van het gebouw van het Rotterdamsch Nieuwsblad – waarover de Rotterdamse historicus André van der Velden een uitvoerig artikel schreef. Hierin vertelt hij dat krant en gebouw ter plaatse functioneerden als een amusementsbedrijf, ongeveer zoals de bioscoop van Tuschinski dat later op beperkter gebied zou doen. Steeds weer organiseerde de krant, veelal in of rondom het eigen ‘paleis’ manifestaties. Zo liet men in 1892 een drankje uitdelen dat tegen cholera zou moeten helpen. Dat gebeurde overigens nog vanuit het oude gebouw. Dit geldt ook voor de gratis, door de krant ter beschikking gestelde bioscoopvoorstellingen voor soldaten aan het eind van de Eerste Wereldoorlog. Meest spectaculair van al was de inzet van de krant bij belangrijke voetbalwedstrijden. In alle gevallen sneed het mes aan meerdere kanten: de manifestaties trokken niet alleen publiek en dus aandacht, lees inkomsten, zij zorgden ook voor kopij. Maar bovenal gaven zij het publiek het gevoel ‘erbij te horen’, in dit geval bij Rotterdam.

Vergelijkbare hoewel veelal iets minder spectaculaire verhalen van sociaal gebeuren, economisch succes, daarbij passend vertoon en gemeenschapsgevoel zouden verteld kunnen worden over andere steden en andere (familie)bedrijven in uitgeverij, drukkerij en journalistiek, over Thieme en Arnhem bijvoorbeeld of over Enschedé en Haarlem, over Boom (Meppel), Hazewinkel (Groningen), Hepkema (Friesland), De Liefde (Utrecht), Van der Loeff (Hengelo), Gratama (Assen), Tijl (Zwolle) en vele meer. In nogal wat gevallen zijn de namen van deze bedrijven behouden, slechts in een enkel geval is de familie nog actief in de branche. Maar in alle gevallen herinneren de namen aan een tijd die voorgoed verleden tijd is: toen krant en uitgever niet alleen in het middelpunt van de stad stonden maar dat middelpunt ook daadwerkelijk waren. 

De krantenverkoper. Onbekende kunstenaar (1885)

8. Plaatselijk wereldberoemd

Het waren niet alleen uitgevers die de (lokale) krant groot maakten, ook journalisten, hoofdredacteuren en plaatselijke figuren deden dat. Sterker nog: voor zover na te gaan heeft zo goed als elke krant op een gegeven moment wel een of meerdere vertegenwoordigers gehad met wie het publiek de krant associeerde, zo niet vereenzelvigde. Soms ging zo’n vereenzelviging nog door nadat de persoon in kwestie overleden was. Een voorbeeld hiervan is de Nieuwe Vlaardingsche Courant van Arij Dorsman, plaatselijk bekend als ‘de Dorsman’. Een bekender voorbeeld is het Nieuwsblad van Friesland,  de belangrijkste concurrent van de Leeuwarder Courant. Het succes daarvan was grotendeels het werk van één man, de Heerenveense uitgever en tijdelijk ook hoofdredacteur Jacob Hepkema. Hij was zo’n markante verschijning en had dermate uitgesproken ideeën dat zijn krant veelal met zijn naam werd aangeduid. Dat bleef temeer zo omdat Hepkema’s zonen het roer van hun vader overnamen. In Friesland sprak men destijds dan ook niet van het Nieuwsblad van Friesland maar van ‘de Hepkema’. 

‘Ha jy it adfertinsje f en Hepkema al lézen?’

Zoals de Hepkema’s waren er velen: Henri Poels in Limburg en bij het Limburgs Dagblad; Anthonie Bothenius Brouwer bij, achtereenvolgens, de Leeuwarder Courant, de Arnhemsche Courant en de later in Het Vaderland opgegane Haagse Nieuwe Courant; Jacob Doorman bij die andere Haagsche Courant; het echtpaar Knoop bij de Noord-Ooster; Albertus Zijlstra bij de Nieuwe Provinciale Groninger Courant; Jaap Kolkman bij de Nieuwe Vlaardingsche Courant (en de Haagse krant De Nederlander); vader en zoon Vesters bij Het Huisgezin, oorspronkelijk een bijblad van de Katholieke Illustratie maar vanaf 1871 zelfstandig en vanaf 1905 dagblad, enkele jaren later opgegaan in het Noordbrabantsch Dagblad; Janus Vervoort bij het Eindhovensch Dagblad; vader en zoon Peereboom bij het Haarlemsch Dagblad. Enzovoort moet je elke keer weer zeggen, enzovoort. Wat Andrew Hobbs met betrekking tot de lokale pers in Engeland constateert, geldt ook voor die van Nederland: zij is weliswaar overal anders maar functioneert toch ook overal min of meer hetzelfde. In de door hem geciteerde woorden van Iers tijdschrift uit de jaren ‘60 van de 19de eeuw: 

They [de kranten] all hang together, and in union form a system of intelligence which ministers to good government, social peace, and the interests of trade.

Interessanter en belangrijker dan een lijst namen zoals hierboven staat, is de vraag wat zo’n ‘naam’ bij of voor een krant betekende of kon betekenen. Helaas is een antwoord hierop in zijn algemeenheid niet te geven. Tegelijkertijd werpt het bestaan van zovele voor een lokale krant cruciale figuren licht op een wereld en een tijd die tot op grote hoogte gekenmerkt worden door relatieve kleinschaligheid, relatieve overzichtelijkheid en een relatief beperkte horizon. Zoals wij sinds geruime tijd ‘doodgegooid’ worden met BN’ers en (internationale) celebrities, zo werd men men destijds steeds weer geconfronteerd met plaatselijke beroemdheden. Net als de lokale krant hoorden zij bij hun woonplek als de kip bij het ei. Zij waren de spraakmakers van weleer. 



Nog meer krantenlezers van Jac van Looij

9. De krant als politiek vehikel

Terwijl de krant voor de meeste uitgevers, zeker aanvankelijk, vooral een manier was om geld te verdienen, waren er anderen die hem voor geheel andere doeleinden inzetten. Vandaar het klassieke onderscheid tussen Geschäfts- en Gesinnungspresse, de krant als business of als politiek instrument. In dat verband wordt met betrekking tot de landelijke media de altijd weer Abraham Kuyper, voorman van de Antirevolutionairen en hoofdredacteur van De Standaard (1872-1944) aangehaald: ‘mijn Standaard is mij nooit iets anders geweest dan een paard, dat ik bereed, om den eindpaal van den weg des te sneller te bereiken, en in dien eindpaal lag mijn levensdoel.’ 

Er zijn in Nederland weinig of geen kleinere steden te bedenken waar laatstgenoemde functie zo duidelijk was als in Venlo dat, het moet erbij gezegd, om minstens twee redenen een enigszins speciaal geval is: het stadje ligt in Limburg en bestond voor het overgrote deel uit katholieken. Katholieke Limburgers dus, dat betekent een dubbele emancipatiewens. Bij zo’n wens was een krant een onmisbaar vehikel. 

Zoals overal elders verschenen begin 19de eeuw ook in Venlo meerdere blaadjes. Lang hielden ze het niet vol. Dat leek ook te gebeuren met het Markt- en Advertentieblad dat drukker, uitgever en boekhandelaar Hendrik Uyttenbroeck in 1840 opgericht had. Zeker na zijn dood, tien jaar later, zag de toekomst van het blad er slecht uit. Zijn weduwe probeerde het bedrijf met zoon en dochters nog wel voort te zetten maar dat was ondoenlijk. De vrouw werd ouder, de zoon was nog jong en de krant moest, om te overleven, groeien. Enkel advertenties met wat journalistiek knip- en plakwerk voldeed niet meer. 

De oplossing werd gevonden in de persoon van mr. Leopold Haffmans, sinds 1861 kantonrechter ter plekke, lid van de Provinciale Staten en zeer ambitieus: hij wilde de landelijke politiek in. Voor zijn ambities kon Haffmans een krantje goed gebruiken terwijl weduwe en zoon Uyttenbroeck voor hun krantje een man met ambities goed konden gebruiken. En zo kwam het dat het Venlose Markt- en Advertentieblad in 1863 omgezet werd in het Venloosch Weekblad. Haffmans zou er tot aan zijn dood in 1896 aan verbonden blijven. 

In de laatste decennia van de 19de eeuw groeide Leopold Haffmans uit tot een even eigenaardige als spraakmakende figuur die zowel in eigen omgeving als in Den Haag (hij zat sinds 1866 in de Tweede Kamer) te vuur en te zwaard elke liberale politiek bestreed. ‘Zijn’ Venloosch Weekblad kwam hierbij telkens weer van pas. Zijn biograaf zegt het als volgt:

Onder de redactionele leiding van Leopold Haffmans ontwikkelde het regionale weekblad zich tot een politiek orgaan dat ook op nationaal niveau weerklank vond. Het aantal abonnees steeg en er werd veelvuldig over het blad gesproken. Bleef de lezerskring aanvankelijk in hoofdzaak beperkt tot Noord-Limburg, de acties tegen de grondbelasting en andere fiscale maatregelen droegen ertoe bij dat het blad al snel in heel de provincie aftrek vond.

Haffmans was niet de enige Venloër die een plaatselijke krant voor politieke doeleinden gebruikte. Jean Clerx en de latere beroemde katholieke voorman Willem Hubert Nolens deden niet anders. 

Het was een gebruik dat de liberalen aan het begin van de 19de eeuw geïntroduceerd hadden. Dat ligt voor de hand. Zij waren bij uitstek degenen die maatschappelijke verandering wensten: een (nieuwe) grondwet, vrijheid op velerlei, niet in de laatste plaats economisch gebied, een nationale staat, gelijkheid voor de wet (algemeen burgerschap), ministeriële verantwoordelijkheid, volksvertegenwoordiging (in plaats van monarchie), rechtstreekse verkiezingen, openbaarheid van financiën en, wat de media betreft, afschaffing van overheidsbemoeienis, afschaffing van censuur en (wat ongeveer op hetzelfde neerkomt) afschaffing van belasting op publieke communicatie, lees het Dagbladzegel. 

Deze en nog heel wat andere liberale programmapunten werden gedurende tientallen jaren door talloze kranten en tijdschriften gepropageerd en ondertussen door aan die kranten verwante politici, veelal in lijn met Thorbecke, in praktijk gebracht. Eind 19de eeuw was deze ‘liberalisering van de samenleving’ zo ver gevorderd dat de slinger volgens sommigen (protestanten en katholieken) doorgeslagen was terwijl anderen (sociaaldemocraten) meenden dat de door de liberalen ingezette politiek nog lang niet ver genoeg ging. 

Vandaar dat nu alle politiek-religieuze richtingen met eigen bladen en blaadjes kwamen, met als gevolg een verzuilend medialandschap binnen een steeds verder verzuilende samenleving. Daarin stonden liberalen tegenover katholieken, katholieken tegenover protestanten, protestanten tegenover sociaal-democraten, sociaal-democraten tegenover liberalen enzovoort, kortom allen tegenover elkaar. Boven op en dwars door de aloude geografische – liep voortaan dus ook een ideologische versplintering. 

Je zou verwachten dat het vooral de landelijke media waren die hiervan profiteerden. Dat is niet het geval. In zo goed als alle steden, stadjes en dorpen gebeurde in het klein wat op landelijk niveau in het groot gebeurde: er ontstond een verzuild medialandschap. Pas de komst van de radio en het daarbij passend verzuilde omroepbestel bracht hierin opnieuw verandering. Voorlopig was het zover echter nog niet. Een kaartje van de lokale sociaaldemocratische kranten aan het eind van de 19de eeuw toont het. Van protestantse en katholieke kranten zouden vergelijkbare kaartjes getekend kunnen worden. Ideologische of religieuze én geografische identiteiten versmolten, vaak ten koste van de identiteit die in beschouwingen gewoonlijk de klemtoon krijgt, de nationale. Voor de zoveelste keer: daarvan was, zeker tot de Tweede Wereldoorlog, veel minder vaak en veel minder sterk sprake dan gewoonlijk gedacht. De journalistiek is een van de vele terreinen waarop dat blijkt.

Oscar Pereira da Silva (1865-1939)

10. Een lokale publieke opinie

Op maandag 13 november 1922 publiceerde de plaatselijke arts A(lbertus) Staverman een uitvoerig artikel in de Vlissingsche Courant. Onderwerp: drankgebruik bij jongeren. Daarmee maakte hij nogal wat los. Dit niet in de laatste plaats omdat Staverman niet zomaar iemand was. 

Na zijn studie in Amsterdam vestigde Staverman (1879-1953), afkomstig uit Amsterdam, zich in Vlissingen als chirurg. Niet lang daarna verwierf hij ook een aanstelling als bedrijfsarts bij scheepswerf De Schelde, de trots van de stad. Schijnbaar was hij in Nederland een van de eersten met zo’n aanstelling. Eenmaal zover ontwikkelde hij zich voortvarend, werd lid van een commissie die toezicht hield op het Middelbaar Onderwijs (1910), voorzitter van het college van regenten van het Burgerweeshuis (1911), lid van de gemeenteraad (1911-1923), lid van de Provinciale Staten, voorzitter van het ziekenfonds Walcheren en voorzitter van de Vlissingse Reddingsbrigade. Uiteindelijk werd de buitenstaander zelfs gerekend tot één van de zogenoemde Twaalf Apostelen, een kringetje van de lokaal meest invloedrijke personen. Kortom, Staverman was een man van aanzien en vanzelfsprekend wilde een krant maar wat graag artikelen van zijn hand opnemen. Zo ook dit keer. 

In zijn artikel betoogde Staverman dat er geen medisch bewijs was de veronderstelling dat matig alcoholgebruik nadelig was voor jeugdige personen. Dat kon men wel zeggen, stelde hij, maar het was niet meer dan een mening. ‘Alleen feiten, cijfers en experimenten hebben [bij wetenschappelijk onderzoek] recht van meespreken’. Niet dat hij vervolgens een pleidooi hield voor drankgebruik. Verre van. Maar dat gebruik was een sociaal, geen medisch probleem, stelde hij, en geheelonthouders die hem in de gemeenteraad of elders aanvielen, zou hij voortaan dan ook gelaten aanhoren. Dit echter wel onder het besef dat ‘ik ‘t als medicus niet heel erg vind, als een jongeman, van zeg 15 jaar, in plaats van limonade een glas bier van zijn vader krijgt.’

Van dergelijke opiniestukken over lokale gebeurtenissen zijn in alle kranten die iets meer waren dan advertentieblaadjes ontelbaar veel voorbeelden te vinden, zij het dat het lang niet altijd om zulke principiële kwesties gaat als deze of dat die kwesties altijd door plaatselijke beroemdheden aangesneden werden. ‘Gewone burgers’ lieten ook van zich horen. Er speelden immers overal en steeds weer tal van zaken, kleine zoals ergernissen over het uitkloppen van vloerkleden, grotere zoals de drooglegging van nabijgelegen polder en principiële zoals gekibbel over de belofte die padvinders in spe dienden af te leggen. In een enkel geval, zoals het laatste, kon een lokaal begonnen debat zelfs grootse vormen aannemen en ‘de natie’, althans een deel daarvan, behoorlijk in beroering brengen. Andersom gebeurde hetzelfde: dat een landelijk thema op tal van lokale plekken uitgevochten werd. Anders gezegd: net zoals het grote nieuws over belangrijke maatschappelijke veranderingen overal net een beetje anders was, zo bestond ‘de’ zogenoemde publieke opinie in de destijds geografisch sterk verbrokkelde wereld veelal uit talloze publieke opinies die van plek tot plek en moment tot moment net een beetje verschilden: variaties op een thema. Bij die variaties waren mannen als Staverman, lokale spraakmakers, veelal leidend. Maar dat veranderde: steeds vaker begonnen ook Jan & Alleman zich met de publieke zaak te bemoeien. Democratisering heet dat. 

Lovis Corinth: Portret van schilder Benno Becker (1892). Wuppertal, Von der Heydt-Museum

11. De krantenlezer als journalist

Ter sturing van de publieke opinie gebruikt ‘de gewone lezer’ sinds lang het fenomeen van de zogenoemde ‘ingezonden brief’. Weliswaar was de krantenlezer van weleer niet zo media-actief als zijn soortgenoot in het digitale tijdperk, velen van hen wisten de weg naar de krant maar wat goed te vinden. Helaas is het onderzoek naar ingezonden brieven (zoals naar de meeste ‘zachte’ aspecten van de journalistiek, zeker in Nederland en meer nog waar het lokale media betreft) mondjesmaat, met als gevolg dat we het veelal moeten doen met illustraties, anekdotes, voorbeelden en eventueel vergelijkingen met onderzoek van elders. Niettemin is er toch wel wat te vinden. 

‘In de Engelsche bladen is de rubriek “letters to the Editor” gerenommeerd,’ schreef de secretaris van de Nederlandsche Journalisten Kring W.N. van der Hout in 1928. Van der Hout kende de wereld van de journalistiek goed, was niet alleen actief in het vak en de organisatie daarvan maar ook als privaatdocent aan de Universiteit van Utrecht. Bovendien was hij een verzamelaar. Zijn collectie vormt de basis van het later (1978) in Het Nederlands Persmuseum opgegane Internationaal Persmuseum. Niet verbazingwekkend dus dat hij over het fenomeen krant, ‘haar wording, wezen en werk’ tal van artikelen schreef. Een groot aantal daarvan werd in 1928 gebundeld tot een boek: Over de krant. Daarin staat ook een hoofdstuk over lezersbrieven. 

‘Men zegt dat ze een der attracties van een Engelsch blad pleegt te zijn,’ schrijft Van der Hout. 

In ons land lijkt het ons alsof de leiders der dagbladen eigenlijk niet goed weten wat zij met die ingezonden stukken moeten aanvangen. Over het algemeen is de wijze, waarop ze behandeld worden, niet aanmoedigend voor hen die neiging mochten gevoelen om in een dergelijk stukje uiting te geven aan hun meening; een onderschrift der redactie ontneemt soms in een paar regels de kracht aan het artikeltje; vaak werd een uitvoerig betoog ‘van redactie-wege’ ingekort, een behandeling, die den schrijver altijd wrevelig maakt. 

Onverstandig, stelt Van der Hout. Want een krant gebaat is bij zijn lezers. 

De lezer van een krant, van oordeel dat hij die krant ter wille kan zijn met een mededeeling of een uiteenzetting, omdat deze de taak van de krant als voorlichtster van het publiek helpt bevorderen, staat tot die krant als een goede vriend, die door zijn vriendschap hulp verleent. 

Helaas reageren kranten veelal nogal korzelig op deze hulp. Dom. 

Het staat voor ons vast, dat de kranten heel wat meer medewerking van haar lezers zouden ontvangen, wanneer zij eens afstapten van dien hoogen sokkel der ingebeelde al-wijsheid en meer tot bereidwilligheid om samen te werken met de lezers geneigd waren. 

Zoals gezegd is van het fenomeen ‘ingezonden brieven’ in Nederlandse kranten niet veel bekend. Afzonderlijke studies zijn er niet – of nauwelijks, en dat is des te opmerkelijker omdat het aantal verwijzingen naar dergelijke brieven, zowel tegenwoordig als voorheen, legio is. Maar onderzoekers weten er blijkbaar toch niet goed raad mee – wat niet zo gek is, inhoudelijk gaan de brieven alle kanten op. 

Onmiskenbaar in ieder geval is dat het aantal lezersbrieven (‘ingezonden’) na de Afschaffing van het Dagbladzegel en dus met het ontstaan van het modern krantenlandschap enorm toenam. Een telling in Delpher, aanvechtbaar als altijd maar niettemin een goede indicatie, toont het:

Periode

Aantal

 

Periode

Aantal

 

Periode

Aantal

 

1810-19

3328

 

1860-69

39780

 

1900-10

192309

 

1820-29

4527

 

1870-79

56785

 

1910-20

254188

 

1830-39

8295

 

1880-89

85835

 

1920-30

385007

 

1840-49

15975

 

1890-00

116673

 

1930-40

380594

 

1850-59

25199

telling in mei 2021 op basis van zoekterm ‘ingezonden’, de verdeling landelijk en regionaal in ongeveer 50:50

In zijn studie over de kranten van ‘s Hertogenbosch en Groningen bevestigt De Graaf deze stijging zoals hij ook de mening van Van der Hout bevestigt dat kranten nogal eens met de brieven in hun maag zaten. Vervulde de krant daadwerkelijk een, wat De Graaf in navolging van Denis McQuail noemt, ‘platformfunctie’? Zijn antwoord is sceptisch. 

De geplaatste brieven suggereren dat vooral leden van de ideologische achterban aan het woord kwamen, een enigszins open debat was eerder uitzondering dan regel. Er zijn best een aantal voorbeelden te vinden van briefschrijvers die kritisch uithaalden naar de redactie, maar in deze gevallen ging de brief vergezeld van een redactionele weerlegging.

Toch beklemtoont de Zwitserse media-onderzoekster Philomen Schönhagen in een zeldzame studie over ingezonden brieven in de 19de eeuw steeds weer dat kranten vooral sinds het eind van de 19de eeuw ‘auf die Mitarbeitt der Leser angewiesen [waren], insbesondere im lokalen Bereich’. Om het in de woorden van de door haar geciteerd grondlegger van het Duitse krantenonderzoek, Otto Groth, te zeggen: 

Das, was sich im gewöhnlichen Gang der Dinge ereignet, was die amtlichen Stellen erfahren, können den Redaktionen die eigenen oder freien Reporter, die Behörden oder Beamte mitteilen, aber das Plötzliche, das Unvorhergesehene, das, was sich im Schoße einer Familie, zwischen den Mauern eines Hauses, in den Räumen eines Wirtschaftsunternehmens, in der Abgeschlossenheit einer Berufsorganisation begibt, das wird nicht immer gleich oder überhaupt nicht der Öffentlichkeit, den Behörden bekannt, und darauf kann ein Anruf, eine schriftliche Mitteilung, ein Gespräch die Redaktion aufmerksam machen.

De krant, zo stelt Schönhagen dus, is een ‘Forum des lokalen Zeitgesprächs’, een platform van de plaatselijke publieke opinie waarin vooral de kleine dingen aangaande de gemeenschap naar buiten komen. Tot een bewering beperkt Schönhagen zich echter niet. Ze illustreert haar stelling uitvoerig, vanzelfsprekend aan de hand van Duitstalige bronnen. Anderen, zeker onderzoekers van Amerikaanse komaf, zijn het met haar eens en illustreren dat op basis van hun bronnen eveneens. Ook Hobbs wijdt een hoofdstuk aan lezersbrieven in 19de eeuwse Engelse kranten en stelt dat die kranten in ieder geval in Preston een cruciale rol in de openbaarheid speelden 

Readers used the local paper correspondence column in many different ways, as an interactive reference source, as a noticeboard, a stimulus to action, a visitors’ book, a substitute for the duel in defending reputations, as a permanent record, and most of all, as a debating forum, an essential tool in the creation of a public sphere in the late nineteenth century.

Hobbs voegt hieraan iets toe. Het is veelzeggends voor de verandering die in de tweede helft van de 19de eeuw in de publieke sfeer plaatsvond: dat aanvankelijk alleen publieke figuren, lees elite-figuren als Staverman, ingezonden brieven met naam en toenaam ondertekenden. Alle andere brieven bleven anoniem. Maar:

This practice declined rapidly, from fifty-nine per cent of letters signed pseudonymously in 1860 to only ten per cent in 1900, in the Preston Herald at least. 

Hobbs suggereert dat elders in Engeland hetzelfde gebeurde. De indruk bestaat dat hetzelfde ook voor de Nederlandse situatie opgaat. Onderzocht heb ik het (nog) niet maar het zou de moeite waard zijn dat te doen omdat het veelzeggend kan zijn voor het fenomeen publieke opinie en de krachten die, ook op lokaal niveau, een rol speelden bij de vorming daarvan. 

Dit laatste is temeer het geval omdat het dus zeer wel mogelijk is dat kranten, traditioneel gezien als de belangrijkste publieke smaakmakers, wellicht helemaal niet zo gediend waren van de inmengingen van hun lezers en deze dus liever achterwege lieten of manipuleerden. Van der Hout: 

Niet zoo lang geleden bevatte een der Hollandsche bladen een advertentie van dezen inhoud: ‘schrijver of journalist gevraagd voor ingezonden stukken, voor scherpe critiek’. Het was eigenlijk niets nieuws, want iedere journalist, die eenigen tijd op een krante-bureau heeft gezeten, weet dat vaak ingezonden stukken worden aangeboden, die de aanbieder heeft laten opstellen. In een Engelsch blad is zelfs wel eens een advertentie opgenomen van een ‘experienced journalist’, die ‘with good results’ er zijn werk van maakte voor anderen ‘letters to the Editor’ op te stellen.

Anders gezegd, naarmate de kranten succesvoller, professioneler en groter werden, hadden zij de briefschrijvers steeds minder nodig. Nodig hoogstens was het gevoel bij lezer dat hij of zij ertoe deed – voor meer dan het kopen van de krant. Voor de publieke opinie zorgde voortaan de journalistiek. 

De constatering roept onvermijdelijk de gedachte op dat hier wel ‘s het begin van het einde van de (om te beginnen lokale) journalistiek  zou kunnen liggen. Want ook in dat geval gebeurde wat zo vaak gebeurt: dat kracht en zwakte keerzijden zijn. Mede dankzij de betrokkenheid van zijn lezers werd de krant groot. Maar toen hij groot was, had hij die lezers nog slechts nodig als lezers – als kopers en adverteerders dus. Maar toen die lezers, niet in de laatste plaats dankzij de digitalisering, de mogelijkheid kregen opnieuw bij ‘de journalistiek’ betrokken te raken, lieten zij de krant vallen en gingen op zoek naar communicatieve mogelijkheden die hun bijdrage wel op waarde schatten. Vaak waren dat dergelijke media precies dat wat de lokale krant ooit geweest was: sociale media. 

Carl Ostersetzer: Wirtshauspolitik (ca. 1914)

12. De krant als huisvriend

Betaalde inzendingen (advertenties, familie-annonces met betrekking tot geboorte, huwelijk, dood en contactberichten), zo werd eerder gesteld, zijn van cruciaal belang voor het (voort)bestaan van een krant. Zonder die inzendingen zouden kranten het niet lang volhouden. Toch is dat slechts de helft van het verhaal – dat van de productiezijde. Wat betreft de consumptiezijde geldt hetzelfde. Advertenties en andere betaalde inzendingen zijn niet alleen voor uitgevers, zij zijn ook voor lezers en dus voor goed begrip van het journalistieke veld van belang. Helaas, hoewel begrijpelijk en hiervoor ook al herhaaldelijk gezegd, is dit aspect van de krant zelden onderzocht zoals ook andere ‘lezersaspecten’ van de journalistiek in het verleden zelden onderzocht zijn. Vandaar dat voorgaande hoofdstukken bijna uitsluitend gaan over mensen van wie en zaken waarover materiaal overgeleverd is: uitgevers, uitgeverijen, journalisten, oplagecijfers, krantengebouwen. De persoon op wie de journalistiek zich richtte, de lezer, was en bleef een schim. Hij of zij trad zelden of nooit in het voetlicht.   

Een van de weinige niet-journalistieke onderwerpen waarover lezers wel ‘s mededelingen hebben gedaan betreft de amusementsfunctie van de krant. Zo vind je niet alleen in de literatuur maar ook in kranten zelf nogal wat opmerkingen over het zogenoemde feuilleton – een fenomeen dat eind 19de eeuw in zo goed als alle kranten opgenomen was. Het feuilleton is de voorloper van de soap en de serie – wat ‘iedereen’ las of zag, met spanning afwachtte en vervolgens met vrienden of, liever nog, vriendinnen besprak.

Welhaast zeker geldt dit laatste ook advertenties, zeker de zogenoemde contactadvertenties – de Tinder van toen. Ook daarvan weten we uit verspreide opmerkingen in literatuur, krant en dagboek dat ze verslonden werden. Vermoedelijk geldt dat in iets mindere mate ook de andere advertenties die in de krant stonden – om te beginnen de persoonlijke – of familieberichten, ingezonden mededelingen dus betreffende geboorte, verloving, huwelijk en dood. 

‘Wat leest u het liefst, juffrouw?’ luidt een vraag in de bons mots-rubriek van de Haagsche Courant van 13 december 1897. De bevraagde juffrouw hoeft over het antwoord geen seconde na te denken: 

Verlovings- en huwelijksadvertenties.

Helaas weten we van deze berichten – zoals ook van feuilletons en contactadvertenties – toch weer veel meer over het aanbod dan over de afname, veel meer dus over de maker en de inhoud dan over de lezer en  de invloed. Cijfers bijvoorbeeld. Daaruit blijkt onmiskenbaar dat het belang van ingezonden mededelingen van persoonlijke aard in de lange 19de eeuw, tussen ca. 1810 en de Tweede Wereldoorlog, enorm toenam en wat betreft geboorte en dood (zoals te vinden in de eind 2021 in Delpher gedigitaliseerde kranten, zie bijgaande tabel) zelfs verveertigvoudigde. Deze groei weerspiegelt niet alleen de commerciële -, zij weerspiegelt ook de sociale functie van de krant want illustreert hoezeer hij zich steeds meer ontwikkelde tot publieke tribune. Dat Pietje geboren of Marietje overleden was, werd steeds vaker (ook) in geschreven vorm aangekondigd. 

Familieberichten

Periode

Geboren

Overleden

Periode

Geboren

Overleden

1810-19

2682

3862

1880-89

33144

55963

1820-29

4719

5904

1890-00

38122

67797

1830-39

7544

8405

1900-10

58645

93997

1840-49

7826

9292

1910-20

66373

95879

1850-59

8870

18221

1920-30

94801

108285

1860-69

14035

24793

1930-40

118155

136308

1870-79

22361

30021

   

 

Met journalistiek heeft dit vanzelfsprekend weinig tot niets te maken. Wél met de krant en met de rol die deze binnen een gemeenschap vervulde. Die rol, aldus de centrale stelling van deze longread, oversteeg de journalistiek. Dat is zoveel als zeggen dat ‘journalistiek’ niet meer was dan een aspect onder de vele aspecten die ‘de krant’ vormen. Tot die aspecten behoren ook plaatselijke aanwezigheid, bekendheid, advertenties, annonces, divertissements, het ritueel van de regelmaat, aanraking van het papier, herkenning en gewenning. Al deze zaken tezamen maakten (en maken deels nog altijd) de krant tot wat hij was en, belangrijker nog, tot wat hij voor de lezer betekende: oriëntatiepunt, tafelgenoot, goede bekende, bron van trots, kortom huisvriend.

Adolf Oberlander (1845-1923): Das neueste vom Tage